zaterdag 20 januari 2018

Disneygezin

Deze week las ik voor het eerst over het Amerikaanse echtpaar Turpin dat hun dertien kinderen martelde, uithongerde en aan bed vastketende. Het was een kort en zakelijk bericht op een nieuwssite. Ik ging onmiddellijk op zoek naar foto’s, ik weet niet waarom. Een deel van me wilde gerustgesteld worden, een ander deel verrast.

David en Louise Turpin. De gekte straalt van hun gezichten. In de komende weken zal waarschijnlijk bekend worden dat Louise een IQ van 45 heeft en David een narcistische persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken. Er zal misschien godsdienstwaanzin in het spel zijn, maar dat is bij vrijwel alle Amerikanen zo, dus dat is niet opmerkelijk.
Er zal, neem ik aan, ook bekend worden dat Louise niet de moeder is van het jongste kind van twee, want Louise is 49. Op een bepaald punt zal ze misschien gaan verklaren ook een slachtoffer te zijn van haar man, maar ze zal uiteindelijk net zo hard gestraft worden als hem, als het niet harder is. Moeders die hun kinderen verwaarlozen, daar rekent de maatschappij keihard mee af.
In de gevangenis zal ze een boek schrijven om de proceskosten mee te kunnen afbetalen. Er zal een tv-film over het gezin worden gemaakt en de meest mediagenieke kinderen zullen bij Oprah aanschuiven. We zullen alles verslinden. Hoe kan het dat dit zich jarenlang midden in een keurige woonwijk heeft kunnen afspelen zonder dat iemand iets in de gaten had? zal iedereen zich afvragen.
Ook ik vraag het me af.

Ze blijken een gezamenlijke Facebookpagina te hebben, David en Louise Turpin. Ik kan het bijna niet geloven. Ze bestaan. De Facebookpagina maakt het echt.

Ik lees dat ze onlangs naar Disney World zijn geweest en momenteel Disneyverhalen lezen. Ik zie tientallen foto’s en een filmpje van het feest waarop ze hun trouwbelofte vernieuwden. De ambtenaar die de plechtigheid begeleide is een Elvis-imitator.

‘Ze waren een beetje op zichzelf, maar verder heb ik nooit iets vreemds aan ze gemerkt,’ zegt een buurvrouw op camera.
Een ander zegt: ‘Louise vertelde dat ze naar Disney World waren geweest en het daar heel leuk hadden gehad.’
Getuigenissen van onschuld. Wíj wisten van niks.

Er is een foto waarop de kinderen allemaal een rood T-shirt dragen met daarop een cijfer van 1 tot en met 13. Boven het cijfer staat het woord 'Thing'. Thing 1, Thing 2, Thing 3 etc.
Ook is er een foto van moeder Louise met het jongste kind. Ze zit buiten, in een tuin of een park, met de baby in haar armen en draagt een Disneykostuum, om precies te zijn de satijnen jurk van Sneeuwwitje van de zeven dwergen.
Slechts één Facebookvriend stelt een vraag naar aanleiding van de foto: ‘Waarom woon ik niet in Californië?’

Ik bestudeer de foto's op tekenen van angst of mishandeling. Het is één en al vrolijkheid. Op de foto’s van de trouwplechtigheid dragen de meisjes allemaal dezelfde roze geruite jurk en dezelfde witte poppenschoenen. De drie jongens zijn in smoking. Ze zijn dun, maar niet extreem mager. Maar hun huid is bijna doorschijnend wit. In tegenstelling tot die van hun ouders, die blijkbaar wel regelmatig buiten kwamen. Allen lachen extatisch, op één na: de baby die op de voorgrond zit. Die zit keihard te huilen, zijn kin en wangen glinsterend van snot en tranen. Geen van de kinderen of de ouders kijkt naar hem.

En niemand heeft ooit iets vreemds aan dit gezin gemerkt.

woensdag 17 januari 2018

Nieuwe onbetrouwbare wereld

Ik dacht aan een nieuwe, onbetrouwbare wereld. Ik zeg 'nieuwe' maar eigenlijk leven we allang in die wereld, we denken alleen nog in de oude betrouwbare wereld te leven.
In de nieuwe, onbetrouwbare wereld kijk je er niet meer van op als het pakketje dat op dinsdag tussen 8:00-12:00 zou worden bezorgd pas vrijdag om 22:15 wordt afgeleverd, of vijf dagen eerder om 3 uur 's nachts. Sterker nog, als er dinsdag tussen 8:00 en 12:00 wordt aangebeld doe je niet eens open, want je verwacht niks en niemand.

Dat is precies wat het leven in de nieuwe onbetrouwbare wereld samenvat: je verwacht niks en niemand. Het heeft geen zin.
Eens per jaar koop je een vliegticket om naar te kijken. En soms, als je er een uitje van wilt maken, pak je een tas in en vertrek je naar een van de vierendertig luchthavens die je land (Neerlund, voluit: die Neerlund, hoewel niemand dat zeker weet) nu telt om te kijken naar opstijgende en landende vliegtuigen waar niemand in zit, want alles is overboekt en alle mensen weten dat, dus iedereen blijft thuis.

Er is geen internet, alleen de herinnering aan internet en een kastje in de meterkast en de rekeningen die in de bus vallen. Er is geen tv, terwijl je driehonderd zenders hebt volgens het aansluitcontract (je hebt nu alle tijd om het te lezen). Het straatbeeld wordt opgefleurd met oranje brievenbussen, je gooit er af en toe wat in omdat je dat vroeger ook deed en je nu eenmaal een gewoontedier bent, maar je verwacht niet dat dat wat je erin gooit ooit bij een ander aankomt, zelfs niet als je die ander zijn naam, adres en postcode erop hebt geschreven en er voor een fortuin aan grappige kleine stickertjes met het hoofd van een vroegoude koning op hebt geplakt.

In de nieuwe onbetrouwbare wereld bel je eens in de zoveel tijd de woningbouw om te melden dat de liften in je pand niet werken en de buitendeuren open blijven zwaaien, alleen is dat niet waar, niet op dat moment, ooit wel weer eens, je weet alleen niet wanneer, dus bel je maar vast, het wordt toch niet verholpen, dat is een ding dat zeker is.

Slechts één zekerheid heb je in de nieuwe onbetrouwbare wereld, en dat is dat je nergens op kunt vertrouwen. Van de nieuwe onbetrouwbare wereld krijgt niemand een program. Vroeger zei men dat anders, maar je bent vergeten hoe – dat wil zeggen; je herinnert je nog wel iets, maar stel dat je geheugen ook is geprogrammeerd in de nieuwe onbetrouwbare wereld? Beter om er niet te veel op te vertrouwen.

zondag 31 december 2017

Wat ik dit jaar las

Alleen boeken die ik echt heel graag wilde lezen kocht ik nieuw. De meeste boeken die ik dit jaar kocht waren, net als in voorgaande jaren, tweedehands. Ik herlas boeken waarvan ik wist dat ze me gelukkig zouden maken (Curtis Sittenfeld. Lees!). Een aantal boeken dat ik las stond al jaren in de kast – ooit enthousiast aangeschaft, op een wachtstapel beland, onderop de stapel, en toen de stapel te hoog werd in de kast gezet en vergeten. Ik heb ze er allemaal uitgehaald, er een nieuwe stapel van gemaakt en ik heb die stapel dit jaar doorgewerkt. Soms keerde het enthousiasme waarmee het allemaal was begonnen terug. Dat was fijn.
Ik las vrijwel alleen fictie dit jaar, het enige non-fictie boek dat ik las ging over het oude Egypte (een biografie van mijn lievelingsfarao Hatsjepsoet). 19 van de 41 boeken die ik las zijn van Nederlandse schrijvers. 16 zijn er door vrouwen geschreven. In mijn hoofd waren dat er meer. 10 boeken kwamen dit jaar uit, 1 boek is uit 1931, de rest ergens ertussenin. Het dunste boek dat ik las telde 63 pagina’s, het dikste 1230. 1 boek telde alleen plaatjes en had geen paginanummering.
Dit zijn ze:

Het smelt – Lize Spit
Een begerenswaardige vrijgezel – Curtis Sittenfeld
The American wife – Curtis Sittenfeld
Schuld – Walter van den Berg
Van dode mannen win je niet – Walter van den Berg
Er gebeurde o.a. niks – Joubert Pignon
Portret van een jongeman – J.M. Coetzee
De schreeuw – Laurent Graf
Zwarte Honden – Ian McEwan
Aan Chesil Beach – Ian McEwan
Als het licht wordt – Franka Potente
Jij zegt het – Connie Palmen
Portret van een heer – Tommy Wieringa
Grote boze seks – Arlene Heyman
Makkelijk leven - Herman Koch
De pianoman – Bernlef
Constitutional – Helen Simpson
Cockfosters – Helen Simpson
De houdgreep – Joost Zwagerman
The woman who would be king, Hatshepsut’s rise to power in ancient Egypt – Kara Cooney
Fahrenheit 451 – Ray Bradbury
Het einde van de eenzaamheid - Benedict Wells
In het buitengebied – Adriaan van Dis
Het hart is een eenzame jager – Carson MacCullers
Na meneer MacKenzie – Jean Rhys
Wij zeggen hier niet halfbroer – Henk van Straten
Norwegian Wood – Haruki Murakami
Extreem luid en ongelooflijk dichtbij – Jonathan Safran Foer
Winter in Amerika – Rob van Essen
Visser – Rob van Essen
En we noemen hem – Marjolijn van Heemstra
Verloren grond - Murat Isik
Double Vision – Pat Barker
De zomergast – Justin Cronin
Verdriet is het ding met veren – Max Porter
Manhattan Beach – Jennifer Egan
Leopold – Jowi Schmitz
Wacht maar hoe mooi het wordt – Guus Bauer
The Ska is the limit – Guus Bauer
Short Picture Stories – Wilma de Bock
Max, Mischa & het Tet-offensief – Johan Harstad

vrijdag 29 december 2017

Het jaar van De Frietsteeg

Wilde ik 2017 in de eerste helft van dit jaar nog uitgummen, nu het jaar ten einde komt wil ik het in een lijstje op de schouw hangen. 2017 was het jaar van De Frietsteeg. Maar eigenlijk begon het jaar van De Frietsteeg al in het voorjaar van 2016, in de kapitale villa van mijn toenmalige uitgever, waar ik dacht een gesprek te zullen gaan voeren over mijn nieuwe roman. Dat was niet wat er uiteindelijk gebeurde. Nadat ik enthousiast uiteen had gezet waar het verhaal over moest gaan, viel er een stilte. Daarna werd mijn vorige boek erbij gepakt. Het was een prachtig boek, jazeker, maar feit was dat het nauwelijks had verkocht. Vandaar dat ze mijn nieuwe roman niet gingen uitgeven.
Terwijl ik luisterde, opende de afgrond zich. Ik probeerde niet over de rand te kijken. Ik kende het zo goed daar beneden.
‘Ik dacht dat uitgevers bestsellers uitgaven om de mooie kleine boeken die ze zo graag maken te kunnen bekostigen,’ zei ik.
‘De tijden zijn veranderd.’
Mijn uitgever kwam overeind om me thee in te schenken, thee die mijn gehemelte kapot schroeide en mijn tong gevoelloos maakte. Zodra het glas leeg was, pakte ik mijn tas en liep de trap af, onder de portretten van Mulisch, Wolkers en Ik Jan Cremer door die niks voor me hadden kunnen doen. Op de fiets huilde ik drie tranen, thuis huilde ik de rest. Niemand mag dit weten, dacht ik en ik bracht alle exemplaren van De andere familie Klein die ik nog had naar de berging. Ik schaamde me. Wat als ik nooit meer een uitgever vond, was ik dan nog wel een schrijver? En als ik geen schrijver was, wat was ik dan? Wat had ik dan? Op dat moment besefte ik dat er al in lag, in dat gat, op de bodem met mijn bek vol aarde.

Ah joh, zeiden andere schrijvers, je vindt wel weer een uitgever en hier is een uitnodiging voor mijn boekpresentatie. En: Natuurlijk ben je wel een schrijver, heb je trouwens die zevensterrenrecensie van mijn laatste boek in alle kranten gelezen?
Ik begon schrijvers en de plekken waar ze samenkwamen te mijden. Ik hoorde niet meer bij ze. Hoorde ik überhaupt wel ergens bij?
Het echode nogal in dat gat.

Ik zegde een uitnodiging van een writer’s residency in Griekenland af. Wat had ik daar te zoeken? Ik voelde me uitgerangeerd. Ik werd taalmaatje van een Syrisch gezin. Ik verfde de muren van mijn slaapkamer en ruimde de berging op. Ik googelde verre reizen die ik niet kon betalen en waarschijnlijk ook niet kon maken als migrainelijer. En ik dacht aan boeken maken. De roman waarvoor ik anderhalf jaar eerder bij de uitgever zat: ik kreeg het idee maar niet uit mijn hoofd. Ik had nog een idee, een bloemlezing van de stukken die ik de afgelopen tien jaar op mijn blog had gepubliceerd, geïllustreerd en mooi vormgegeven – typisch iets waarvan uitgevers meestal verzuchten dat het véél te duur is, ‘bovendien verkopen verhalen niet.’

Toen was daar mijn fuck-it-moment, om precies te zijn: mijn fuck-it-ik-doe-het-gewoon-zelf-moment. Ik benaderde een illustrator en begon een crowdfundcampagne.
Wat stoer, zeiden mensen.
Maar het was niet stoer, het was wanhoop. Ik had iets nodig waarin ik me kon vastbijten, iets waarvoor ik mijn spieren moest gebruiken. Ik voelde dat ik aan het wegzakken was.
Een personage heeft een doel nodig en obstakels op zijn pad, anders wordt het geen goed verhaal, vertel ik mijn schrijfstudenten altijd. De obstakels waren er eerder dan het doel in mijn geval, maar niemand zegt dat dat niet mag.
Ik selecteerde blogstukjes, herschreef ze, herschreef ze nog een keer en toen tot me doordrong dat er een kaftje omheen kwam nóg een keer. Ik zocht een vormgever, een drukker, een omslagontwerper. Ik dronk koffie met jan en alleman, stelde vragen en won advies in. En ergens onderweg veranderde er iets. Het werd lichter.

Om een lang verhaal kort: ik kroop uit het gat en ik maakte het boek, helemaal zelf (‘Kijk mam, zonder handen!’). Dit was mijn jaar. Een jaar dat bijna twee jaar duurde en misschien nu nog niet ten einde is. Op eerste kerstdag begon ik aan een nieuwe roman. Zonder uitgever, zonder werkbeurs, maar ook zonder schaamte. Want een schrijver schrijft. Dat is wat die doet.

De Frietsteeg is hier nog te bestellen.