donderdag 11 mei 2017

Achter de muziek aan

Voor me in Ikea liep een ouder echtpaar. De man duwde de kar, de vrouw had een boodschappenlijstje op een A4'tje waarvan ze hardop voorlas. Ze praatte heel hard, alsof de man doof was. Of misschien luisterde hij nooit naar haar en dacht ze dat ze door hard te praten toch een kéér zijn aandacht moest krijgen.
'Zo, ' riep ze, 'hebben we nou alles? 'Vier circustenten, koffers...'
De man deed alsof hij het niet hoorde. Hij wilde niet mee, dat was duidelijk. Hij had hoogtevrees en was bang voor wilde dieren. Maar hij had het haar beloofd twintig jaar geleden. Als ik met pensioen ben, had hij gezegd, dan doen we het.

woensdag 3 mei 2017

Karretje

Toen we uit de auto dreigden te groeien schaften mijn ouders een aanhangwagentje aan. Twee dagen voordat we op vakantie gingen werd het achter de auto gekoppeld, zodat heel de straat kon zien dat de Groentjes op vakantie gingen.
Er gingen vier tenten in, drie kleine en één grote; vier rubberen luchtbedden – zelfde verhaal. Vijf slaapzakken. En vijf vuilniszakken vol kleren, voor ieder van ons een. De lege hoekjes werden opgevuld met pakken hagelslag, potten pindakaas, zakken aardappels en meer wat ze in Frankrijk niet hadden. Op de ochtend van vertrek kregen we allemaal een half reisziektepilletje, en toen waren we klaar om te gaan.

Ergens tussen België en Luxemburg, en misschien al wel eerder, werd de grap voor het eerst gemaakt. Waarschijnlijk door degene die in de kattenbak lag.
‘Het karretje is weg!’
We schrokken, het leek ons niet onwaarschijnlijk, we vonden het nog steeds raarder om dat ding wel achter onze auto te zien hangen dan niet.
De tweede keer dat de grap werd gemaakt lachten we er samenzweerderig om: we wisten dat het niet waar was, maar het zou toch heel goed waar kunnen zijn.
Daarna lachten we er alleen nog om als we hem niet aan hadden zien komen.
Het karretje is weg!

In de weken die volgden raakten we vergroeid met ons karretje. Soms keken andere campinggasten verschrikt op als ze alle spullen zagen die eruit kwamen, en eenmaal deed iemand zijn beklag bij de campingleiding waarna we twee van de vier tenten moesten afbreken.
Drie weken lang stond mijn vuilniszak met kleren aan het hoofdeinde van mijn tentje en graaide ik erin naar T-shirts, bikini’s, onderbroeken en sokken. Ik raakte gewend aan de geur van warm plastic aan mijn kleren. Het had geen zin de vuilniszak leeg te halen, want elke paar dagen braken we alles weer af en trokken we verder. En toen gingen we weer op huis aan. Ter hoogte van Breda, het begon al te schemeren, riep mijn zus opeens paniekerig vanuit de kattenbak: ‘Het karretje is open!’
‘Ha ha,’ zuchtten wij, stinkend, zwetend en vermoeid.
‘Nee, echt,’ riep mijn zus.
Mijn moeder zei dat het nu niet grappig meer was, en dat we over twee uur thuis waren. Mijn vaders gezicht stond op onweer.
Maar mijn zus zei, met nadruk op elke lettergreep: ‘Kijk dan, de klep van het karretje is open.’
Op mijn vader na, die aan het stuur zat, keken we allemaal achterom. Achter de auto hing het karretje met de klep omhoog en er vloog van alles door de lucht. Nu begrepen we waarom er zo naar ons werd getoeterd en gewuifd.
Mijn vader parkeerde de auto op de vluchtstrook en mijn moeder stapte uit. In het schijnsel van de achterlampen zagen we haar achter vliegende lappen aan hollen en her en der kledingstukken uit de vangrail plukken. We hadden onze moeder nog nooit zo dapper gezien. Met haar armen vol kleren keerde ze terug. We waren allemaal uitgestapt, namen kledingstukken van haar over en duwde ze terug in de vuilniszakken. Mijn vader deed de klep van het karretje weer dicht. Mijn broertje plukte een witte plastic tas uit de berm en overhandigde hem aan mijn moeder. In het halfdonker tuurde ze erin. Ze trok er de mouw van een geruit overhemd uit. En toen een beschimmeld kadetje. Ze wierp de tas terug in de berm. Hij was niet van ons.
We stapten weer in en reden terug naar huis. Niemand maakte daarna nog een grap over het karretje.

maandag 24 april 2017

Aardig aardig aardig

Ik zag een documentaire over een verstandelijk beperkt stel dat vijf kinderen kreeg die stuk voor stuk door de rechter werden weggehaald omdat het stel niet voor ze kon zorgen. We gaan gewoon door tot we er eentje mogen houden, zei de man nadat er vier uit huis waren geplaatst.
De vijfde werd geboren en was nu 21, een meisje dat op haar derde uit huis was geplaatst en daarna in twaalf verschillende tehuizen en pleeggezinnen had gewoond. Nu woonde ze voor het eerst bij haar moeder, die wou dat graag, het was het enige wat ze altijd had gewild. Maar eigenlijk ging het niet. Cynthia was het enige kind zonder beperking, slim en aardig tegen iedereen: tegen de man in de lift, tegen de conducteur in de tram, tegen de slager waar ze een gourmetpakket voor haar verjaardag ophaalde, tegen de docent, de maatschappelijk werker: aardig aardig aardig. Want als er één ding was wat ze had geleerd, was het dat ze niet automatisch werd geaccepteerd. Ze moest daar haar best voor doen. Anders moest ze weg.
Het was hartverscheurend.

Daarna zag ik een documentaire over twee Chinese tweelingzusjes die waren geadopteerd. Het ene zusje door een gezin in Amerika, het andere door een gezin in Noorwegen.
Nog in China, op de dag van de transactie, hadden beide stellen adoptieouders het vermoeden dat de baby’s wel eens tweelingzusjes konden zijn.
Ze leken sprekend op elkaar – maar goed, alle Chinezen lijken op elkaar.
Ze reageerden sterk op elkaar. Maar ja, ze kwamen uit hetzelfde tehuis.
Ze hadden dezelfde geboortedatum.

De ouders namen het voor kennis aan, ze deden er niks mee. Ze namen hun kersverse baby mee naar huis – een glimmend rode brandweerwagen die echt kon rijden en waar ze zo lang op hadden gewacht. Geen haar op hun hoofd die eraan dacht hem nog af te staan.
Maar na een paar maanden stelden de Noorse ouders toch voor een DNA-test te laten doen. De Amerikaanse ouders gingen akkoord.
De kinderen bleken een tweeling.
Maar ja, zeiden de Noorse ouders, Alexandra woont nu al maanden bij ons, we hebben ons aan haar gehecht, we kunnen haar nu niet meer afstaan, natuurlijk. En de Amerikaanse ouders zeiden hetzelfde over hun Mia.

De zusjes groeiden op zonder elkaar te kennen, maar verlangden elke dag naar elkaar. Op hun verjaardag belden ze elkaar. Ze zeiden I love you en Happy birthday. Verder konden ze elkaar niet verstaan.
Ze waren acht jaar oud toen ze elkaar voor het eerst weer terugzagen. De Amerikanen kwamen een zomer naar Noorwegen. Het is hier prachtig, zei de Amerikaanse man, net een sprookje.
De meisjes die elkaar niet konden verstaan holden giechelend door weides en lieten zich hand in hand naar de bodem van het meer zakken. Toen de zomer voorbij was vertrokken de Amerikanen weer. Ik denk niet dat mijn dochter veel met haar bezig is, zei de Amerikaanse moeder.
De zusjes hadden het over niks anders. Ze stuurden elkaar dagelijks brieven vol kleurpotloodhartjes. Ze holden elke morgen naar de brievenbus om te zien of er post was. Ik wou dat mijn zus dichterbij woonde, zeiden ze. Echt begrijpen hoe het zat, deden ze niet, ze wisten alleen wat ze voelden, een diep verlangen om bij de ander te zijn.
Het was hartverscheurend.

Dit weekend las ik een interview met Aart Staartjes, die zijn hele leven kinderprogramma's heeft gemaakt. Hij zegt: ‘Wat kinderen vinden, daar moet je je niks van aantrekken.’
Daar ben ik het over het algemeen heel erg mee eens. Maar soms ook heel erg niet.

Twin Sisters kun je hier zien, Moederliefde hier.


donderdag 13 april 2017

Niet mijn bestek

Ooit ging ik op vakantie met iemand die bij elke zwerfkat of straathond die we zagen stil bleef staan om hem te liefkozen, van water te voorzien en als het even kon ook van eten. Ze liep winkels binnen om brood voor ze te kopen en goot het laatste beetje water uit haar flesje in de bek van het noodlijdende dier. Het getuigde van een grote dierenliefde.

Of toch niet? In de loop van de vakantie begon ik haar van iets anders te verdenken. Ik kon er niet precies mijn vinger op leggen, maar ik had het gevoel dat het haar niet zozeer om de dieren ging, maar om haarzelf.

Op een dag vertelde ze over haar moeder die zich had ontfermd over asielzoekers. Niet uit liefde voor de medemens, welnee, zei ze, haar moeder deed het voor zichzelf. Ze kreeg er schouderklopjes voor en bedankjes en iedereen vond haar een engel. ‘Wat ze echt niet is,’ brieste de dochter.

Daar moet ik aan denken, nu ik op een Facebookpagina spullen aanbied aan statushouders die een woning hebben gevonden. Ik wantrouw mezelf; ik ben geen goed mens, ik doe het voor mezelf, ik weet het zeker. Het zuivere, goede gevoel dat ik heb na afloop bewijst het: dáár doe ik het voor.

Ik heb net een kookplaat, een oventje, een blender, een deken, een fietspomp, een paraplu, een boekenkast en een kledingrek weggegeven als ik een bericht krijg van nog iemand die interesse heeft in de boekenkast.
Sorry, zeg ik, die is net opgehaald. Wat heb je verder nog nodig?
Alles. Hij heeft niks.
Ik heb alleen nog een theepot en een paar borden.
OK.
Ik ga kijken of ik nog meer kan vinden, schrijf ik.
Hij schrijft: Yes.

Ik moet denken aan de Syriërs die langs zijn geweest, lieve, bescheiden jongens die om de drie zinnen thankyousomuch zeiden. Ik denk aan de gespierde jongen die lachend de boekenkast op zijn schouder tilde en in perfect Nederlands zei: ‘Ik heb geoefend.’

Misschien is het Engels van deze man gewoon niet zo goed.

Ik haal mijn keukenkastjes leeg. Verzamel servies dat ik nog gewoon gebruik. Ik pak gereedschap uit mijn gereedschapskist, leg er een stekkerdoos bij, verdeelstekkers, tie-wraps. Op Marktplaats zoek ik naar meubels die gratis worden aangeboden. Ik plak ze onder mijn favorieten.

De volgende dag komt hij langs. Een klein mannetje met een dwingende blik. Hij kijkt naar de tafel vol spullen, zegt niks.
Ik geef hem adressen van tweedehandswinkels en laat hem de Marktplaatsadvertenties zien. Hij zegt: ‘Misschien kun jij die mensen een bericht sturen om te vragen hoe breed en hoe hoog die meubels zijn zodat ik weet of ze door mijn voordeur kunnen.’
‘Ja, dat zal ik doen.’
Ik vraag hem waar hij vandaan komt.
Pakistan.
Maar daar is toch helemaal geen oorlog? denk ik. Meteen veeg ik die gedachte van tafel.
Ik vraag hoe lang hij al in Nederland is.
Twee jaar. Hiervoor heeft hij zeven jaar in Engeland gewoond met zijn Nederlandse vrouw en hun kind. Maar zij is bij hem weggegaan en heeft hun kind meegenomen. Zomaar, zonder reden. ‘Ze wil niet eens meer met me praten,’ zegt hij met een klaaglijk stemmetje. En hij gaat door op die toon, over hoe hij helemaal opnieuw moet beginnen en niemand hem helpt.
Ik denk: ik had het bestek er niet bij moeten doen. Het was mijn eerste bestek, het heeft sentimentele waarde. Ik wil niet dat hij het krijgt.
Ik wil ook niet dat hij mijn theepot krijgt. En mijn ontbijtborden. Mijn bekers. De bakjes en de kommen. De stekkerdoos. De schroevendraaiers. De tie-wraps, die kan hij krijgen.
Ik sta op en zeg dat ik een tas voor hem ga zoeken.

Nonchalant stopt hij alles in de plastic tas. Ik kom met kranten aanzetten om het servies in te verpakken, maar hij zegt dat het niet nodig is.
Ik denk: nog voordat hij thuis is, is het gebroken.
En misschien doet hij het erom. Omdat hij er genoeg van heeft de dankbare, blije statushouder te moeten uithangen. Hij is net zo min een goed mens als ik. Het zuivere gevoel dat hij heeft als hij straks de scherven uit zijn fietstas vist bewijst het: dáár doet hij het voor.